|
|
|||
| Annastraat | |||
Pas geleden liep ik weer eens door de Annastraat. Ik kom er niet zo vaak, ik heb er weinig te zoeken. Als ik langs dat vreemde portiekje in de zijmuur van de kerk loop, zie ik dat er tegenwoordig een traliehek voor zit. Jammer. Op die herfstige avond, anderhalf jaar geleden, was dat er nog niet…
Het is zaterdagavond. Ik heb gewinkeld met mijn vriendinnen en daarna gegeten – Mexicaans. Daarna naar café Dikke Dries. Niet echt onze vaste stek, maar we hadden afgesproken met een paar studiegenoten die daar wel vaker komen. Rond middernacht is Sandra al met een lekkere knul aan haar arm verdwenen. Arianne zit ergens in een hoekje met een andere jongen. Ik zit op de bank bij het raam, waar de muziek het minst luid is en je nog een gesprek kunt voeren. Dat is één van de redenen waarom ik hier niet zo vaak kom. Ik heb steeds de volgende dag keelpijn en een schorre stem. Ik sta in het middelpunt van de belangstelling van een stuk of wat vrijgezelle knullen. Ik heb donkere kousen aan, een wijde rok en een wijd kort T-shirtje met lange mouwen. Het jasje dat ik er overheen droeg ligt naast me, want het is warm hier binnen. Een glas pils in mijn hand. Elke keer als het leeg is, krijg ik een nieuw in de hand gedrukt, zonder dat ik er iets voor hoef te doen. Sommige jongens ken ik wel, andere heb ik nog nooit gezien. Ze willen alles van me weten, waar ik woon, hoe oud ik ben (zeg ik niet), of ik een vriendje heb, of ik een vriendje gehad heb, of ik studeer (nee), of ik werk (ja), waar ik werk... Een van hen vertelt een mop en als er een schaap over de dam is... belgenmoppen, kaboutermoppen, junglemoppen, blondjesmoppen. Dat laatste laat ik maar gaan, ik ben tenslotte zelf niet blond. Net zoals de Belgen voor zichzelf moeten opkomen, moeten de blondjes dat ook maar doen. Dan moet ik naar de wc en als ik terug kom, hebben ze een ander slachtoffer gevonden, een blond(!) stuk met veel grotere tieten dan ik. Er staat wel weer een vol glas pils op me te wachten. Eén jongen zit nog eenzaam naast mijn jasje. Ik ga bij hem zitten. Hoe hij precies bij ons groepje verzeild geraakt is, ben ik vergeten. Hij is de broer van een ex-vriendje van een van de meiden of zoiets. We kletsen een beetje en dan stelt hij zich voor: “Vink. Rob Vink, maar iedereen noemt me altijd bij de achternaam. Vink dus.” “O, een vogeltje, dan zal ik mijn poesje maar in de gaten houden.” Hij lacht: “Wat zou je poesje doen als er een vink in de buurt is?” “Als je niet uitkijkt, zwelgt ze hem in één keer naar binnen.” “Doet ze dat wel vaker?” “O ja, ze heeft al heel wat vreemde vogels gegrepen.” “O jeee… en hoe heet je poesje?” “Poesje.” “En je poesje haalt graag kattekwaad uit?” “Ik zou het eerder kuttekwaad willen noemen.” Hij grijnst. “O ja… en hoe heet jij?” “Ik ben Anna. Iedereen noemt mij altijd bij mijn voornaam: Anna” “Anna – wauw, mooie naam. Weet je dat er een straat naar je genoemd is?” “Dat heb ik gehoord, ja. Dat is hier niet zo ver vandaan geloof ik?” “Niet ver? Het is vlak bij! Hier vlak om de hoek.” “Echt waar? Ik geloof dat ik er nog nooit geweest ben.” “Niet? Zullen we gaan kijken?” “OK, eventjes.” Ik grijp mijn jasje en wuif naar Arianne: “Ik ben zo terug.” “OK,” zwaait ze terug. Buiten neemt Vink me bij de arm. Het is herfstig weer. Niet erg koud, wel druilerig. We slaan links af en vijftig meter of zo verder op de hoek nog een keer links. De regen drupt zachtjes op onze hoofden. Het volgende straatje links is de Annastraat. Geen wonder dat ik er nog nooit eerder geweest ben, het is een achenebbisjstraatje waar bijna niemand iets te zoeken heeft. We lopen er doorheen. Rechts is een kerk, dan een soort hofje. Een houten hek en een stenen muur onttrekken het aan het gezicht. Boven op prikkeldraad en puntige ijzeren stekels om indringers te weren. Een stalen vluchttrap met boven een traliedeur. Dan wat obscure gebouwen. Sommige zijn te herkennen als de achterkanten van de winkels aan de parallelstraten. In andere lijken bedrijfjes gevestigd, ze hebben grote houten deuren. Weer andere lijken gewone woonhuizen te zijn. Op een stoepje zit een dakloze met een fles wijn in de hand. Onwillekeurig kruip ik wat dichter tegen Vink aan. Vink legt een beschermende arm om me heen. Zonder reden eigenlijk, de man is halfdronken, zo niet helemaal. Zelfs als ik alleen was zou ik hem makkelijk aan kunnen als hij wat zou willen. Hij keurt ons nauwelijks een blik waardig, zijn aandacht is volledig bij zijn fles. Het is maar een kort straatje, misschien net iets meer dan honderd meter lang en even later kijken we tegen de achterkant van het stadhuis. Rechts is De Zaak, een café waar ik ook af en toe wel kom.
Gek dat dat straatnaambordje me nooit eerder is opgevallen, zo klein is het nou ook weer niet. We draaien om en lopen langzaam terug. Het hek voor het hofje staat een stukje terug van de straat en daar lopen we heen. Tussen een paar geparkeerde auto’s sla ik mijn arm om Vink’s hals en trek hem tegen me aan voor een zoen. Hij is niet groot, maar net iets groter dan ik. Dat is wel prettig bij het zoenen. Hij laat er geen gras over groeien, al snel verdwijnt zijn hand onder mijn T-shirt en glijdt naar mijn borst. Doortastend – letterlijk, zo heb ik het graag. Ik reageer door met mijn vingers de omvang van zijn pik af te tasten. Vink trekt even aan zijn broek om het snel groeiende orgaan wat meer ruimte te geven. Zo is het goed, zo kan ik het ook beter voelen. Na een minuut of tien zoenen en voelen wil ik wel meer. Wat is een betere plaats om het te doen dan in de straat die naar mij is genoemd? Voor de verandering heb ik er vandaag eens aan gedacht om er een paar in de zak van mijn jasje te steken. Ik haal er een tevoorschijn en wapper even met het blauwe pakje voor Vink’s ogen. Die gaan wat wijder open. “Wow, jij laat er geen gras over groeien,” mompelt hij. “Je moet het ijzer smeden als het heet is... en volgens mij is het heet genoeg.” Ik strijk nog even met mijn vingers over zijn pik. “Heet is het zeker.” “Nou dan...” Ik begin aan zijn broek te trekken, weet de knoop open te maken. “Wacht, niet hier...” “Wel hier! Ik wil hier neuken, in de Annastraat.” “Kom mee, ik weet een beter plekje… hier in de Annastraat.” Haastig lopen we langs de kerk. Bijna aan het eind van de straat is een soort portiek. Een stenen wenteltrapje leidt in een half dozijn treden naar een houten deur die dwars op de straat geplaatst is. Een beetje vreemd, ik begrijp niet goed waarom die deur niet gewoon parallel met de straat is. In het donker kan ik net een paar rijk versierde ijzeren scharnieren zien. Ik trek mijn rok strak. Een toevallige voorbijganger zou kunnen denken dat we alleen maar zitten te zoenen. En bovendien zijn er geen toevallige voorbijgangers. Tenminste niet hier in de Annastraat. Twintig meter verder in de Korte Jansstraat wel. Daar rijden auto’s en ik hoor een groep opgeschoten jongelui luidruchtig voorbijkomen. Het begint harder te regenen. Wij zitten min of meer droog, maar op straat klettert het nu neer. Er vormt zich een plasje op het laagste punt, aan de voet van het trapje waarop we zitten. Mijn broekje drijft er midden in. “Wat voor kerk is dit eigenlijk?” vraag ik tussen twee zoenen door. “Willibrordkerk.” “Katholiek?” “Ja. Hij wordt net gerestaureerd, maar de missen gaan gewoon door, geloof ik.” “Misschien is dit wel de dienstingang. Gaat morgen de pastoor hierlangs naar binnen. Die moest eens weten…” “Met zijn misdienaars.” Dan hebben we geen tijd meer om te praten…
“Heee, wat heb jij uitgespookt?” vraagt Arianne als ik weer binnenkom bij ‘Dikke Dries’. Ze zit nog steeds met haar vrijer in de hoek en haar bloes is een stuk verder open dan eerder. Ik buk me tot onze hoofden vlak bij elkaar zijn en dan fluister ik: “Geneukt… in de Annastraat.” “Nu net? Dat meen je niet!” “Ech wel,” zeg ik grijnzend. Vink staat een beetje verlegen achter me. Arianne lijkt het nog steeds niet te geloven. Ik haal het natgeregende broekje uit mijn jaszak en laat het even zien. Dan vis ik ook nog de opengescheurde blauwe verpakking uit mijn zak. “Zo voldoende aangetoond? De rest van het bewijsmateriaal heeft Vink weggemoffeld.” “OK, OK, ik geloof het al.” We drinken nog een pilsje. Ik vraag: “Is er ook een Vinkstraat?” “Niet dat ik weet. Tenminste niet in Utrecht. In Rotterdam wel.” “Mmmm, misschien moeten we daar ook eens heen.” We blijven niet lang meer. Vink neemt me mee naar zijn kamer. Op de stang van zijn fiets. Maar dat vertel ik een andere keer. |
|||
|
|||
|