home - bieb

 

 

 

  Hulpstukken
   
 

Na mijn verhuizing moeten er hier en daar nog wat dingen opgehangen worden. Onder andere een boekenrek, waarvoor drie grote gaten geboord moeten worden in een harde stenen muur. Mijn accuboor is daar niet geschikt voor. In een foldertje van de bouwmarkt zie ik het werktuig dat precies is wat ik voor dit karwei nodig zou hebben: een hamerboor. In de aanbieding. Maar toch nog bijna honderd euro. Best wel veel voor drie gaten in de muur.

Vandaar dat ik, tijdens een zondagse picknick met een groepje vrienden en vriendinnen eens om me heen vraag:

“Heeft iemand van jullie misschien zo’n hamerboor?”

De meiden giechelen:

“Een hamerboor? Vraag Rudi maar…”

“…of Jasper, die heeft een fantastische drilboor…”

“… of Erik met zijn multi-functionele tool...”

“… of anders...”

“Ja ja,” onderbreek ik, ‘en nou even serieus…”

“We zijn serieus,” zegt Lisa met een brede grijns die het tegendeel bewijst. Ik laat me niet van de wijs brengen.

“Ik moet een paar gaten hebben…”

“Heb je die niet dan?”

“… in de muur van mijn woonkamer, om een boekenrek op te hangen.”

“O, maar dan heb ik precies wat je nodig hebt. Een hamerboor met alle hulpstukken die je kunt bedenken.” Het is Lars die me te hulp schiet.

“Vooral die hulpstukken!” roept Tina enthousiast.

“Geweldig Lars, denk je dat ik die een keertje mag lenen?” vraag ik, nog steeds onverstoorbaar.

“O jawel… of liever, ik kom je wel een keertje helpen.”

Er valt een doodse stilte. De enige die niet de plotseling opgekomen spanning voelt is Lars. Die is in de wolken dat hij mij kan helpen. Alle anderen onthouden zich op dit moment enig commentaar, benieuwd als ze zijn hoe ik me hier nu weer uit ga redden.

Om te beginnen moet ik misschien even dit toelichten: ik ken twee Larsen. Eentje van mijn werk. Uit principe onderhoud ik geen seksuele relaties met collega’s dus het zal duidelijk zijn dat ik niet deze Lars bedoel (het moet tenslotte een erotisch verhaal worden). Of nee, ik druk me verkeerd uit: Ik onderhoud in principe geen seksuele relaties met collega’s… nou ja, kortom, dit verhaal gaat over de andere Lars.

Deze Lars (van dit verhaal dus) was een ouderejaars student die ik leerde kennen toen ik begon met studeren. Ik ben klaar met mijn studie, hij is nog steeds bezig. Vraag me niet hoe het kan. Het is een lange, slungelige jongen, met de motoriek van een op hol geslagen draaiorgelpop. Iedere beweging die hij maakt is schokkerig en gaat net iets verder dan de bedoeling was. Als hij omkijkt, lijkt het alsof zijn hoofd ieder moment van zijn schouders zal rollen. Als hij je zoent moet je oppassen dat hij je oog niet uitsteekt met de scharnier van zijn brilletje. Als hij je een hand probeert te geven, loopt dat meestel uit op iets wat je bij ieder ander in de categorie ‘ongewenste intimiteiten’ zou rangschikken, maar bij Lars niet. Hij stamelt dan een excuus, bloost even en dan is het incident al weer vergeten. Zo iemand is Lars. Het gerucht gaat dat hij uitsluitend serviesgoed van hout of roestvrij staal gebruikt, want aardewerk en glas zijn aan hem niet besteed.

Zijn brilletje is een geval op zichzelf. Twee glaasjes die zo klein zijn dat je normaal al moeite zou moeten doen om er doorheen te kijken. Maar in Lars’ geval is er altijd wel iets verbogen, of een veer afgebroken en tijdelijk – maandenlang – vervangen door een stuk elastiek, of een schroefje kwijt en gerepareerd met naaigaren. Het gevolg is dat het brilletje onveranderlijk slagzij maakt, soms naar stuurboord, soms naar bakboord.

Deze Lars nu, biedt aan om met zijn nieuwe, extra-krachtige Hamerboor, met alle Hulpstukken, drie gaatjes in mijn muur te boren. Ik probeer hem af te wimpelen:

“Nee joh, dat hoeft niet hoor, als ik die boor een keer een middagje mag lenen dat is dat zo gepiept.”

“Nou, ik doe het graag voor je hoor!”

Op dit moment zou ik luid en duidelijk moeten zeggen: “Nee dank je Lars, ik doe het zelf wel.” Maar zo bot ben ik nou een keer niet. Had ik het maar gedaan.

Dus staat Lars de volgende zaterdagochtend om tien uur bij me op de stoep. In zijn hand een groene plastic koffer met daarin het instrument waarom het hier allemaal begonnen is: De Hamerboor met Hulpstukken. In zijn andere hand een enorme bos rode rozen. Langs hem heen zie ik nog net hoe zijn fiets, die hij op het tuinpad gestald heeft, gracieus tussen de bloembedden tuimelt.

“Dat had je echt niet moeten doen,” zeg ik als ik de rozen aanneem. “Je komt hier om te werken en dan neem je ook nog van die prachtige bloemen mee.”

Hij wiebelt een beetje verlegen heen en weer. Ik draai mijn wang uitnodigend naar hem toe. Hij bukt zich om er een kus op te drukken. Zijn vrije hand belandt op mijn linkerborst.

“Sorry!”

“Geeft niet hoor. Zet je spullen maar in de woonkamer, dan zal ik koffie inschenken, daar heb je wel zin in zeker?”

“Ja, lekker.”

Als ik in de keuken twee mokken koffie haal spreidt Lars, aan de herrie te horen, de verzameling hulpstukken over de vloer van de gehele woonkamer uit.

Het is een warme zomerdag en ik heb jeans shorts en een hemdje aan. Als ik tegenover Lars op de bank zit bekijkt hij me rustig van top tot teen. Geen stiekeme blikken hoor, en ook niet met zo’n begerige trek op zijn gezicht. Gewoon zo. En dan zegt hij op zijn eigen onnavolgbare manier:

“God Anna, wat ben jij toch een ontzettend lekker geil wijf.”

Hij is nog geen vijf minuten binnen, maar komt meteen to the point. Als welke andere man ook deze woorden had uitgesproken in een soortgelijke situatie, waren het waarschijnlijk zijn laatste geweest. Maar Lars leeft nog steeds. Van hem accepteer je dat als de gewoonste zaak van de wereld en onwillekeurig antwoord je in dezelfde trant:

“Dank je. Je bent zelf ook een lekker ding.”

“O, maar daar is het me helemaal niet om te doen hoor. Ik kom hier echt niet met de gedachte: nu ga ik Anna eens even lekker neuken,” jokt hij.

“Ik weet het,” jok ik terug met een glimlach.

“Oeps - sorry!” Koffie golft over de rand van zijn beker en spettert tussen zijn Nikes – maat 48 – op de houten vloer. Ik veeg het weg met het doekje dat ik uit voorzorg al uit de keuken had meegenomen. Als ik klaar ben kan ik nog net de beker opvangen die hij gedachteloos niet op, maar naast de tafel neerzet.

“Zal ik dan eerst dat kastje maar even ophangen?”

Onvermijdelijk nadert het moment dat hij met De Hamerboor aan de slag gaat. Ik zie het met angst en beven tegemoet. Hij is nog even met de Hulpstukken in de weer en ik wijs hem waar de kast moet komen te hangen. Met duimstok en potlood in de hand bestijgt hij het trapje om het meest linkse gat af te tekenen. Zijn hand schiet een beetje uit, zodat een potloodstreep van een halve meter op de muur verschijnt. Het ene eind ervan markeert nauwkeurig de plek waar het eerste gat moet komen.

Hij beklimt het trapje voor de tweede keer, nu met De Hamerboor in de hand. Hij zet zijn brilletje recht. Het zakt onmiddellijk weer scheef. Hij zet de punt van het boortje bij het juiste eind van de podloodstreep. Tot nu toe gaat alles goed. Een machtig gegrom klinkt uit het apparaat als Lars het knopje per ongeluk wat te diep indrukt. De punt van de boor volgt de podloodstreep vrij nauwkeurig over de muur, een diepe kras achterlatend.

“Oepsie, uitgeschoten,” meldt Lars opgewekt. Hij probeert het opnieuw. Er ontstaat nu een gat dat maar een handbreed verwijderd is van de plaats waar het had moeten zijn. Ik ga maar even naar de keuken, de bloemen in het water zetten.

Als ik terug kom lijkt de muur wel op een gatenkaas. Ik zet de vaas met rozen op de eettafel en ga naast Lars staan, die zijn eigen werk goedkeurend bekijkt. Dan gaat hij aan het werk om een kruisje op de muur te zetten waar het tweede gat moet komen. Voorzichtig geef ik hem wat aanwijzingen, vooral op het moment dat hij de duimstok verkeerd om houdt en een potloodstreep zet die precies 14 centimeter te ver naar rechts is.

De boor gromt weer, hartstochtelijk als een wolvin die haar maal verdedigt. Deze keer gaat hij soepeltjes een stuk de muur in, precies op de plaats waar het kruisje staat. Dan ontstaat er een enorme steekvlam en stopt de boor abrupt.

“Wat is dat nou?” vraagt Lars verwonderd. Hij drukt het knopje van De Hamerboor een paar keer in, nu zonder dat het apparaat gaat grommen. De boor zit stevig vast in de muur. Ik onderdruk een zucht. Ik trek de stekker uit het stopcontact en steek hem in een ander, om de hoek van de keukendeur. Daarvan weet ik dat het op een andere groep zit.

“Probeer het nog maar eens.”

De boor gromt weer. Opgetogen dat hij het probleem heeft geanalyseerd zegt Lars:

“Joh, ik weet het al: ik heb een elektriciteitsleiding geraakt.”

We overleggen even. Als we een van de andere gaten kiezen die hij links gemaakt heeft, dan kunnen we hier ook een stukje opschuiven en hopelijk boren zonder de leiding nog een keer te raken. Zo gezegd zo gedaan.

“Je mag blij zijn dat er geen waterleidingen in de muur zitten,” merkt hij opgewekt op.

“Jij ook,” fluister ik binnensmonds. Even dreig ik mijn koelbloedigheid te verliezen.

“Hoe weet je dat?” vraag ik luider.

“Nou ik heb ze in elk geval nog niet geraakt.”

Nog niet nee.

Als het tweede gat eindelijk klaar is en een potloodkruisje op de muur aangeeft waar het derde en laatste moet komen, besluit ik een nieuwe tactiek toe te passen.

“Het lijkt me wel erg moeilijk Lars, met die zware boor te werken,’ Zeg ik met een een stem waarin diepe bewondering doorklinkt. Ik heb in mijn middelbare school op een drama-club gezeten en dat werpt nu zijn vruchten af.

“Ja, het is best lastig om hem goed in bedwang te houden.”

“Denk je dat een vrouw dat ook zou kunnen?”

Hij kijkt me bewonderend aan.

“Wil je het eens proberen?”

“Mag het?”

“Ga je gang,” zegt hij grootmoedig.

Mijn kleine vrouwenhandjes zijn natuurlijk totaal ongeschikt voor dit krachtige werktuig, de ontwerpers hadden als doelgroep stoere bouwvakkers en forse doe-het-zelvers in gedachten. Mensen als Lars, bijvoorbeeld. Ik laat het De Hamerboor even proefdraaien. Hij trilt zachtjes in mijn handen, pure gebundelde kracht. Dan klim ik op het trapje en zet de punt precies in het midden van het kruisje. Ik druk de knop zachtjes en met gevoel in. Een welluidend gezoem klinkt naast mijn oor. De punt draait langzaam rond en vreet zich heel beheerst een weg in de muur. Als de weerstand toeneemt, zet ik hem op hameren en met veel herrie en kabaal worden de laatste centimeters afgelegd in het binnenste van mijn muur.

Als het kastje even later hangt en we voldaan ons werk bekijken, zegt Lars:

“Wel jammer dat de muur een beetje beschadigd is.”

Wat heet een beetje.

“Geeft niet hoor, ik wilde hem toch nog eens een keer in de structuurpleister zetten,” stel ik hem gerust.

“O, meen je dat? Het was handiger geweest om dat eerst te doen. Als dat klaar is moet je weer opnieuw gaten maken,” antwoordt Lars met een air van deskundigheid.

“Nee hoor, die haken zitten nu zo mooi, ik pleister er wel omheen.”

“O, anders wil ik ook nog wel een keer terugkomen om je te helpen.”

Opnieuw onderdruk ik een diepe zucht.

Dan valt zijn oog op de stofzuiger, die in een hoek van de kamer staat.

“Ik zal wel even de rotzooi opzuigen.”

“Hoeft niet hoor, doe ik straks…” Ik maak mijn zin niet af. Hij luistert al niet meer naar me. Hij gaat meteen aan de slag. Achteloos vang ik de vaas rozen op die hij met de stofzuigerslang van de tafel maait.

-o-O-o-


“Weet je dat ik het best opwindend vond om jou daar op die trap te zien staan in je shorts, met die grote boor in je handen?” Vraagt hij als ik weer koffie ingeschonken heb.

“Ik vond het ook wel opwindend.”

Dan gebeuren er opeens heel veel dingen tegelijk. Ik kan de juiste afloop niet meer achterhalen. Wat ik weet is dat ik me – slechts enkele ogenblikken later – terugvind in zijn armen. In de tussentijd heb ik een scheut warme koffie over me heen gekregen, is er een beker aan scherven gegaan, is mijn topje op de vloer gevallen en ligt er een grote mannenhand op mijn rechterborst. Dat Lars lekker kan zoenen wist ik al. Zijn handen, die gewoonlijk hun doel ver voorbijschieten, weten mijn tepeltjes wel feilloos te vinden. De knoop van mijn shorts blijkt daarentegen een onneembare barrière, maar ik help wel even. Ik zet ook zijn bril af, zodat ik me geen zorgen meer hoef te maken dat ik straks met een gezicht vol krassen rondloop.

“Laten we maar even naar boven gaan,” fluister ik voordat ik helemaal bloot voor het open raam zit. Zelf heb ik er niet zo veel last van, maar het geeft nogal wat onrust in deze anders zo kalme straat. Op de slaapkamer raakt Lars eerst hopeloos verstrikt in zijn hemd, dan in zijn jeans als hij die over zijn Nikes heen probeert uit te trekken. Misschien dat mijn aanwezigheid – nu naakt – hem nog wat stunteliger maakt dan anders. De broek wil niet meer omhoog en ook niet naar beneden en de Nikes zijn onbereikbaar geworden. En wat een zielige zuigeling niet klaarkrijgt, evenmin als een pientere peuter of een koddige kleuter, lukt Lars wel: hij wekt moederlijke gevoelens in me op. Ik schiet niet onbedaarlijk in de lach om de slapstickact met zijn jeans, om zijn Mr. Bean-achtige dansje. In plaats daarvan trek ik hem op het bed en help hem rustig en beheerst uit de kleren.

Dan knuffelen we lange tijd. Hij streelt lekker, zoent heerlijk, likt goddelijk. En maakt complimentjes zoals alleen hij dat kan:

“Een kut is toch het mooiste wat er is. En die van jou is de mooiste van alle kutten.”

Dat heeft nog nooit iemand tegen me gezegd! Lars begraaft zijn gezicht meteen weer en het geroemde lichaamsdeel. Heerlijk!

Later, als we klaar zijn voor de volgende fase van het minnespel, open ik de blikken familietrommel condooms die naast mijn bed staat en presenteer hem er eentje, zoals mijn bejaarde buurvrouw een koekje bij de thee presenteert. Het verschil is dat ik het deksel niet meteen terugdoe op de trommel. Dat is maar goed ook, want Lars scheurt de verpakking open en lanceert de inhoud met een grote boog door de slaapkamer. Het ding rolt een eind over de vloer en komt tot stilstand in een stoffig hoekje. “Ze groeien hier niet,’ zou de buurvrouw zeggen. Lars wil achter het voortvluchtige ding aan gaan, maar ik zeg:

“Laat maar liggen...” en houdt hem de trommel opnieuw voor.

Het tweede condoom zet hij binnenstebuiten op zijn pik, waardoor het afrollen nogal lastig gaat.

“Wacht, ik zal je wel even helpen.”

Ik neem een derde condoom uit de trommel en breng het op de voorgeschreven wijze aan.

“Dank je,” fluistert hij, “ik was al bang dat de trommel leeg zou zijn voordat…”

Hij knielt tussen mijn benen, één hand om zijn pik. Een moment krijg ik de indruk dat hij pogingen gaat doen een nieuwe opening in mijn anatomie te gaan boren, dan voel ik hem mijn kutje in glijden. Maar ook nu speelt zijn merkwaardige motoriek ons parten. De in deze situatie gebruikelijke ritmische bewegingen zijn niet wat ze zouden moeten zijn. Ik kijk het even aan, maar als er geen verbetering in zicht is, stel ik voor:

“Lars, ik vind het altijd erg lekker om bovenop te zitten…”

“Ja hoor, natuurlijk, ga je gang. Misschien dat ik dan ook niet steeds uit je schiet…”

Hij rolt op zijn rug en ik bestijg hem. Nu gaat het beter. Want één ding functioneert wel uitstekend bij hem en dat is zijn erectie. Ik beleef er veel plezier aan, nu ik zelf in control ben. Opnieuw valt mij op dat die handen, die anders steevast hun doel stukken voorbijschieten, met grote precisie mijn borsten weten te vinden. Vanochtend is wel weer bewezen dat zijn grote krachtige vingers absoluut ongeschikt lijken voor subtiele bewegingen. Maar als hij ze gebruikt om mijn tepeltjes te strelen doet hij dat met de fijngevoeligheid van een instrumentenmaker.

Lars ligt rustig op zijn rug en ik neuk hem met trage, vloeiende bewegingen. Met mijn nagels trek ik sporen over zijn borst. Ik krab heel zachtjes aan zijn tepels. Hij lijkt bloot, nu hij zijn bril niet op heeft. Zijn ogen zijn gesloten, zijn mond hangt half open, een grimas van genot op zijn gezicht. Dan opent hij zijn ogen weer en glimlacht, terwijl hij naar me kijkt.

“Anna, wat ben je toch mooi,” fluistert hij.

“Dank je.”

“Mag ik je wat vragen?”

“Wat dan?”

“Veel mensen zeggen dat ik onhandig ben. Ik geloof zelf dat daar wel wat in zit…”

Zelfkennis is het begin der wijsheid. Hoe kan ik hierop reageren zonder de waarheid geweld aan te doen en zonder hem te kwetsen? Ik stop mijn bewegingen om een antwoord op zijn openhartige vraag te formuleren.

“Ach Lars, je moet gewoon de dingen waar je slecht in bent nalaten en doen waar je goed in bent. Zoals mijn tieten strelen.”

Een blijde lach komt op zijn gezicht. En dan hebben we geen tijd meer om nog verder te praten…

-o-O-o-


Later, als hij al in de buitendeur staat, geef ik hem een laatste zoen als afscheid. Bedoeld of onbedoeld landen zijn vingers weer op mijn borst. Dan duw ik hem het groene koffertje met daarin De Hamerboor met Hulpstukken in zijn hand. Bijna was hij hem vergeten. Als hij zijn fiets tussen de plantjes vandaan vist, valt de koffer met donderend geweld op het tuinpad en spat open. De Hulpstukken vliegen wijd in het rond.

De volgende maandag ga ik naar de bouwmarkt. Een hamerboor kopen. Die is in de aanbieding. Goed gereedschap is het halve werk.

Nu nog zien hoe ik de elektrische bedrading gerepareerd krijg.

 

 

 

 
© anna 2004 Reacties: mail anna