home - bieb

 

 

 

  Onweer
   
 

Tijdens mijn studie werd Rob aangesteld als professor bij de faculteit sociale wetenschappen. Hij was erg jong – vergeleken met de meeste andere professoren – en trok veel op met ons, de studenten. Hij nam deel aan allerlei discussiegroepen en excursies.

Rob is iemand met heel strikte principes. Een relatie met een studente bijvoorbeeld is volledig ondenkbaar. Tijdens excursies hebben we hebben het hem meer dan eens heel moeilijk gemaakt, maar hij was steeds standvastig.

Een groepje jaargenoten komt ook nu nog, na afloop van de studie, regelmatig bij elkaar. We rakelen dan onze oude filosofische discussies weer op, maar het is toch ook vooral een gezellig samenzijn. Ook Rob is dan vaak van de partij.

Vanavond is er weer zo’n bijeenkomst, bij mij thuis deze keer. Vanwege het mooie weer zitten we tot diep in de nacht in de tuin. Gezellig kletsen bij het licht van de tuinfakkels. We drinken pils, veel pils. Pas in de vroege ochtend klimmen de meeste gasten weer op hun fiets om – licht slingerend – naar huis te fietsen.

Rob woont te ver weg om te fietsen en met drank op achter het stuur is voor hem taboe. Het ligt dus voor de hand dat hij blijft slapen. Dat is al diverse keren eerder gebeurd. De eerste keer – toen ik nog op mijn oude kamer in de stad woonde – was er even een moment van twijfel: moest hij op de oude doorgezakte bank slapen, of naast me in het brede bed? Het werd het laatste. Sindsdien hoeven we daar dus ook geen woorden meer aan vuil te maken.

Gewoonlijk trek ik bij die gelegenheden op zijn minst een broekje aan. Deze keer ben ik dat vergeten. Dat bedenk ik pas als ik, na een snelle douche, al onder het laken gekropen ben. Te moe, geen zin om nog een keer op te staan, laat ik dat maar zo. Rob heeft het niet eens gemerkt, die ligt te lezen. Nog een brave nachtzoen op mijn wang en een paar minuten daarna slaap ik al.

Een knetterende donderslag brengt me terug uit de slaap. Het is misschien een uurtje later, ergens rond half vijf. Meteen na die donderslag begint het ook te plenzen. Toch maar even opstaan om te controleren of het niet inregent. En om – gefascineerd als ik ben door dit natuurverschijnsel – te blijven kijken naar de bliksemschichten die langs de hemel schieten. Rob komt achter me staan om mee te kijken. De bui trekt naar links weg en we moeten opzij in de hoek bij het raam staan om nog iets te kunnen zien.

onweer

Het onweer duurt niet erg lang en de regen mindert tot een milde bui. Ik kom overeind. Nu pas merk ik dat Rob’s hand op mijn schouder ligt. Nu pas merk ik ook hoe dicht hij achter me staat. Ik draai me om. Langzaam naderen onze monden elkaar voor een innige zoen.

-o-O-o-

In de ochtend, terwijl Rob me helpt met het opruimen van de natgeregende restanten van het feest, is hij een beetje ongemakkelijk. Hij zegt niet veel en hij kijkt een beetje somber. De lucht wordt intussen langzaam lichter en de regen wordt minder en minder

Daarna, met een mok hete koffie op het terras, zegt hij:

“Als je tenminste een broekje aan had getrokken, was er niets gebeurd… waarschijnlijk.”

“Als jij die hand niet op mijn schouder had gelegd, was er niets gebeurd… waarschijnlijk.”

“Als het niet had geonweerd…”

We zwijgen beide even. Dan vroeg ik:

“Je ethische bezwaren kunnen je toch niet dwarszitten… ik ben al lang geen studente meer van je, we zijn twee gelijkwaardige volwassen mensen. We hebben gedaan wat we gedaan hebben omdat we het beiden wilden... en we hebben er beide van genoten... toch?”

“Ja, dat is ook zo en daar gaat het ook niet om.”

“Wat is er dan?”

“Wat gebeurt er nu met onze vriendschap? Kunnen we elkaar in de toekomst gewoon als vrienden blijven ontmoeten?”

Daar moet ik heel even over nadenken. Toch is mijn antwoord heel stellig:

“Natuurlijk kan dat. Wat er vannacht gebeurd is bewaren we als een mooie herinnering en voor de rest doen we gewoon alsof er niets gebeurd is.”

Hij knikt bedachtzaam.

“En de volgende keer zal ik er aan denken een broekje aan te trekken,” voeg ik er nog aan toe, “en dan onweert het ook niet weer.”

Zijn gezicht klaart op. Met een glimlach vraagt hij:

“En als het dan wel onweert?”

“Dat zien we dan wel weer.”

 

 

 

 
© anna 2005 Reacties: mail anna