|
|
|||
| Paella of pannenkoeken? | |||
Mijn huid voelt rozig en geurt naar badolie: perzik. Met trage halen trek ik de borstel door mijn vochtige haar. Met de andere hand richt ik de warme luchtstroom van de föhn. Het haar is wild en springerig, maar langzaam komt er wat model in. Het hoeft niet perfect te zijn, als het maar geen weerstand biedt aan strelende, woelende vingers. Als mijn armen pijn beginnen te doen, schakel ik de föhn uit. Een weldadige stilte daalt neer in mijn slaapkamer. Ik trek mijn vingers door mijn zwarte lokken: het is wel goed zo. Ik bekijk mezelf in de spiegel. Ondanks een paar maanden zonder zonneschijn is mijn huid nog lichtbruin. Een tripje naar zuidelijker streken moet over een paar weken voor een diepere kleur zorgen. Mijn donkerbruine tepeltjes zijn hard, niet alleen van de koele lucht na het warme bad. Mijn schaamhaar heb ik zorgvuldig getrimd. Ik strijk er even over heen, maar ik bied dapper weerstand aan de verleiding om verder te gaan. Ik ben druk geweest vandaag. Het hele huis is aan de kant. Gestoft en gezogen. De was gestreken die al een week in de droger lag. Boodschappen gedaan, zodat de koelkast tot aan de nok gevuld is met lekkere dingen. De vaatwasser uitgeruimd. Dingen waar ik gewoonlijk een hekel heb deed ik vandaag fluitend, omdat ik met mijn gedachten al twaalf uur vooruit was. Nu ben ik zelf dus ook klaar. Ik kijk naar mijn spiegelbeeld, zoals hij vaak naar me kijkt. Ik trek mijn haar bij elkaar, zoals hij dat soms ook doet. Sieraden zouden alleen maar storen. Make-up ook. Het enige wat niet van mezelf is, is een vleugje parfum. Snel loop ik de trap af. Een blik op de keukenklok: kwart voor vijf; nog een halfuurtje. Ik doe de achterdeur van het slot. Er schijnt een waterig zonnetje en het is fris buiten. Dan weer naar boven. Ik ga op het bed liggen, op mijn rug met het dekbed over me heen. Er ligt een spannend boek op het nachtkastje, maar ik raak het niet aan. Ik heb geen zin in lezen. Liever verheug ik me alvast op wat komen gaat. Mijn haar ligt in een waaier op het kussen, mijn ogen zijn gesloten, mijn benen een klein stukje opgetrokken. Mijn handen liggen gevouwen op mijn buik. Ik moet me concentreren om te voorkomen dat mijn vingers onwillekeurig naar gevoeliger plekjes dwalen. En gevoelig zijn ze, die plekjes. Alleen de wrijving van de pasgewassen katoenen dekbedhoes over mijn tepeltjes is al genoeg om een siddering door me heen te jagen. De opwinding heeft zich in de loop van de dag opgebouwd tot uitgesproken geilheid. Mijn lijf is zonder verder voorspel klaar voor De Grote Ontlading. Traag tikt de wekker de seconden weg. Ik kan bijna niet wachten. Was het maar zover… Aan de andere kant kan het me niet lang genoeg duren. Ik geniet intens van de geladen spanning… Ergens buiten is iemand zijn auto aan het wassen met de radio aan. Ik hoor de piepjes van vijf uur. Mijn wekker staat al op twee minuten over vijf. Nog een kwartiertje. Dan… voetstappen op het grind. Zou het…? Maar dan is hij te vroeg. Of is het de buurvrouw die terugkomt van haar zaterdagse boodschappen? Nee, ik hoor de achterdeur opengaan. Er gaat een schokje door mijn lichaam, de opwinding wordt nu nog verder aangejakkerd. Heeft hij dan misschien een eerdere trein genomen? Maar dan had hij hier al een kwartier geleden moeten zijn. Behalve als die trein dan weer vertraging had… Ik grijp het dekbed met beide handen vast, klaar om het open te slaan. Wat weerhoudt me nog? “Hallo…?” De stem klinkt vreemd, een beetje hees. “Hier!” Langzame voetstappen op de trap. Je zou verwachten dat hij die met drie treden tegelijk zou nemen. Of geniet hij net als ik van de torenhoog opgebouwde spanning? Maar dan…! Als een hoofd met blond stekeltjeshaar in het trapgat verschijnt, schiet ik overeind. Krampachtig houd ik het dekbed voor mijn lijf, terwijl ik stokstijf midden op het bed zit. Mijn hartslag gaat richting tweehonderd. “O Sorry. Ik wist nie dat je nog in bed lag.” Het is Arend. Arend komt ergens uit het noordoosten van Nederland. Uit een klein dorp waar het nog gewoon is om te pas en te onpas door de achterdeur bij elkaar naar binnen te stappen. In plaats van zich bescheiden terug te trekken, stapt hij doodgemoedereerd de slaapkamer in. Hij kan het niet laten mijn naakte rug en lendenen op zijn gemak te bekijken. “Ik… ik verwacht bezoek,” stotter ik. “O?” vraagt hij verwonderd. Vindt hij het misschien vreemd dat iemand die bezoek verwacht, naakt in bed ligt? “Wie dan?” vraagt hij na een bedachtzame stilte. “Joeri.” “Joeri? Wie is dat?” “Joeri is mijn vriend,” zeg ik, met de nadruk op het woord vriend. Weer moet hij even nadenken. Dan klaart zijn blik op: “Ik snap het,” zegt hij, “Astie komt kunnen jullie meteen beginnen met…” Ik draai met mijn ogen. Lekker vlot van begrip is hij. Ik ben blij dat hij het laatste woord onuitgesproken laat. Ja, dat is precies wat we gaan doen. Het is achttien dagen geleden, achttien dagen en tien uur. Toen heb ik Joeri voor het laatst gezien. Joeri is anders dan alle andere mannen die ik ken. Door zijn werk is hij soms steeds een paar weken achter elkaar weg. Dat lijkt een nadeel, maar in onze relatie blijkt het een voordeel. De eerste week dat hij weg is kan ik nog hevig nagenieten. Dan komt er een korte periode dat het gemis knaagt en het leven duister lijkt, maar dan volgt al weer de spanning van de naderende volgende ontmoeting. De periode van scheiding overbruggen we met lange telefoongesprekken met veel zacht gelispelde lieve woordjes en sms-jes vol hartjes. Maar als hij dan hier is… dan gaan alle remmen los. Met Joeri is seks niet zoals zo vaak een soort Olympische wedstrijd van presteren en records breken: Was het lekker? Was ik goed? Was het wel genoeg zus, niet teveel zo…? Nee, met hem is seks een feest. Als vannacht zal lijken op de vorige keren, dan zal de eerste keer een korte, hevige explosie zijn van te lang opgekropte lust. Daarna zullen we met onze bezwete lijven dicht tegen elkaar aan liggen en zal de opwinding vanzelf terugkomen. Vele uren later zullen we ontdekken dat etenstijd al lang voorbij is. Dan zullen we, terwijl een pannenkoek in de pan ligt zwart te blakeren, ons op de keukentafel opnieuw overgeven aan de lust. Nadat een volgende pannenkoek dan wel in onze magen is verdwenen, zullen we elkaar met keukenstroop begieten, met poedersuiker bestuiven… Zo is het met Joeri. Ik ruk me los uit mijn gedachten. Arend’s ogen staan glazig: hij is ook aan het dagdromen. Ook hij maakt zich een voorstelling van wat er zich hier gaat afspelen. Ik wed dat zijn beperkte fantasie slechts een schim is van wat er hier in de komende nacht echt gaat gebeuren. “Waarvoor kwam je eigenlijk?” Mijn vraag brengt hem terug bij de werkelijkheid. Hij kijkt begerig naar me. Zijn tong speelt langs zijn lippen. Ik voel me kwetsbaar. “Wel, Sandra, jouw vriendin, heeft een videorecorder van me gekocht… Die had ze ergens voor nodig. Een kunstproject of zo…” Arend handelt in gebruikte elektronische apparatuur, om zijn studiebeurs wat aan te vullen. Hij onderschept die spullen ’s zaterdags bij de inzamelplaats van het grofvuil, of koopt ze voor een habbekrats op bij handelaren. Hij repareert wat kapot is en verkoopt ze dan. Hij geeft zelfs garantie, die er uit bestaat dat als een apparaat binnen drie maanden stuk gaat, hij het gratis door een ander vervangt. “Ja, en wat heb ik daar mee te maken?” vraag ik kriegelig. Arend moet hier weg voordat Joeri komt en zijn trage manier om tot zaken te komen ergert me. “Wel, er was iets misgegaan met die afspraak. Ze had het niet goed in haar agenda geschreven, of ik had het niet goed in mijn hoofd…” Dat laatste vermoed ik. “… in elk geval, ze had het geld niet toen ik het ding kwam afleveren…” “… en daarna is ze op vakantie gegaan. Maar ze komt over een week al weer terug.” “Ja, dat is’t hem nou net. Dan ben ik op vakantie. Om precies te zijn, ik vertrek morgenvroeg. Met de bus naar de Costa Dorada… Morgen zit ik aan de paella. Zin om mee te gaan?” “Nee dank je.” Ik moet opeens denken aan die televisiereclame van een paar jaar geleden: een paar Oost-Nederlanders – voor het eerst in hun leven voorbij Apeldoorn – zitten aan de paella en een van hen zegt: ’t is gewoon een soort nasi.’ Zo’n jongen is Arend. Arend gaat verder: “… en je weet hoe dat gaat, daar aan de Spaanse Costa. Een jongen wil dan wel eens een lekkere meid versieren en daar moet je dan wat in investeren… en ik zit een bietje krap bij kas.” “Ik begrijp nog steeds niet wat ik daar mee te maken heb.” “Wel ik dacht: als jij mij nou die honderd Euro geeft, dan kan Sandra dat aan jou terugbetalen…” “Dat mocht je willen. Je denkt toch niet dat ik me met zaken tussen jou en Sandra bemoei?” “Nou ja, zo’s probleem is het toch niet? Over een week is ze al weer terug, dat heb je zelf gezegd.” “Hou toch op. Ik verwacht bezoek, ik heb geen tijd voor dit soort dingen.” Onverstoorbaar gaat hij met zijn ongewassen jeans op mijn schone laken zitten. Hoe lomp kan iemand zijn? “Joh, Anna doe toch niet zo moeilijk. Ik heb gewoon wat geld nodig. Jij kan dat toch wel even voorschieten?” Ik zucht. Hoe raak ik hem kwijt? En vooral: hoe raak ik hem zo gauw mogelijk kwijt? Het is tien over vijf, ik moet snel handelen. Onder normale omstandigheden zou ik hem de deur wel uitgewerkt hebben met behulp van mijn vlijmscherpe tong. Maar de omstandigheden zijn niet normaal. Ik heb geen tijd. Ik zie maar één manier om dit probleem snel en afdoende op te lossen. “OK, geef mijn rugzakje eens aan…” Ik wijs het ding aan, dat in de hoek van de slaapkamer staat. Terwijl hij kalm opstaat om het te pakken, zeg ik: “Dit is wat ik zal doen: ik ga niet tussen jou en Sandra komen. Ik leen jou honderd Euro en die betaal je na je vakantie aan me terug. En dan regel je je zaken met Sandra maar rechtstreeks.” Arend hoort bij het clubje waarmee ik ’s zomers vaak naar de Maarsseveense Plassen ga. Hij heeft me meer dan eens topless gezien. Hij heeft me zelfs wel eens naakt gezien. Toch klem ik het dekbed onder mijn armen als hij me de rugzak aanreikt, om te zorgen dat het niet naar beneden glijdt. In de intimiteit van mijn eigen slaapkamer durf ik me niet bloot te geven. Haastig grabbel ik in de rugzak. Mijn armen hebben niet veel bewegingsvrijheid en ik vind zo snel niet wat ik zoek. Wanhopig stort ik de inhoud uit op het bed: sleutels, kam, zakdoekjes stuiteren op het laken. Dropjes, treinkaart, P-mate, usb-stick, een paar tampons, een stuk of wat condooms, een tandenborstel in een ronde koker, make-up spullen. Een lipstick valt op de vloer en rolt een anderhalve meter weg. Arend neemt niet eens de moeite even op te staan om hem voor me op te rapen. Ik graai mijn portemonnee tussen de rommel vandaan, gris er drie biljetten van vijftig uit en druk ze in zijn hand. “Hier, honderdvijftig Euro. Na je vakantie betaal je ze terug. Veel plezier er mee. En nu wegwezen.” Kalm steekt hij de biljetten in zijn broekzak, terwijl hij rustig naar me kijkt. “Dank je. Jij ook veel plezier zo meteen.” Dan staat hij op en loopt naar het trapgat. Pas als ik de achterdeur hoor dichtslaan kan ik weer ademhalen. Snel prop ik de spullen weer in de rugzak. Terwijl ik er mee bezig ben, merk ik pas dat ik nog steeds het dekbed krampachtig vastgeklemd houd. Ik ontspan mijn armen. Met een diepe zucht ga ik weer liggen. Kwart over vijf. Ik trek het dekbed weer tot mijn hals en kan me opnieuw gaan verheugen. Ik ban Arend uit mijn gedachten en denk aan Joeri. Aan zijn strelende vingers en zijn speelse tong. En aan wat je met stroop en poedersuiker zoal kunt doen. Het kost me geen enkele moeite om de opwinding terug te halen. Dan… weer voetstappen op het grind. Het is verwonderlijk wat een sterke fysieke reactie zo’n alledaags geluid teweeg kan brengen. Weer de achterdeur en zodra die open gaat: “Annaaaaa…!” “Jaaa…!” Deze keer is hij het echt. Nog voor de achterdeur dichtdreunt, hoor ik zijn voetstappen al op de trap. Als zijn golvende donkere haarbos in het trapgat verschijnt, heeft hij zijn trui en T-shirt al uit. Ik sla het dekbed ver open. |
|||
|
|||
|